Donderdag,
Gedichtendag was een kutdag. Het liefst van al zou ik het bij die stelling willen laten. Nuance is echter verplicht. Wordt verwacht door mijn publiek. Dat bont allegaartje van weeskinderen, dwergen,
bejaarden, bruten, tuners, goochelaars, nazi's en yuppies. Vooruit dan maar. Er zijn mij donderdag,
Gedichtendag een paar dingen overkomen die niet zo heel aangenaam waren. Een overzicht.
De dag begint vroeg. Zes uur. Eens de douche de slaap uit mijn ogen en oren heeft gespoeld, verdwijnt mijn ochtendhumeur. Heb ik al ooit verteld dat ik een geweldige douche heb? De eerste keer dat ik erin douchte, begon ik hardop in mezelf te praten over hoe geweldig mijn douche is. Als u eens in
Leuven bent in vuile staat, komt u de proef maar op de som nemen.
Om acht uur sta ik op mijn stageplek. De laatste dag van het eerste stuk. Hier sla ik een stuk van de dag over. Dit is immers
geen stageverslag. Wel wil ik kwijt dat er 's middags een lekker stukje kip op het menu stond. Om vier uur klok ik uit. Figuurlijk dan. Daar en dag begint mijn reis naar
Amsterdam. Ik ga voorlezen op de
30+30 Dichtersmarathon van
Perdu. Een dikke drie kwartier later mis ik op een haartje de
Thalys naar
Amsterdam. Kutjebef. Nauwelijks mijn schuld.
Op dat moment is donderdag,
Gedichtendag een enorme kutdag. Ik overweeg naar huis te gaan. Ik overweeg af te bellen. Ik overweeg mezelf te verbergen in een fles whisky. Ik overweeg voor eens en voor altijd te stoppen met die verrekte
poëzie. Ik behoud echter mijn cool. Van een vriendelijke mevrouw van de
NMBS mag ik met mijn Thalysticket op de gewone
trein stappen. De trage. De best wel comfortabele. De
Thalys rijdt dubbel zo snel naar
Amsterdam. Een Thalysticket is dubbel zo duur. De onverklaarbare logica van het ijzeren
paard.
Ik ben Tolstoj op het vliegtuig. Ik ben Shakespeare in de duikboot. Ik chillax dat het een aard heeft. De wereld ligt aan mijn voeten. Het leven wil mij ontmoeten. Ik neem even mijn materiaal voor die avond door. De
trein houdt halt in
Mechelen. Ik haat
Mechelen maar dat weet u al. Daar hoef ik niet langer bij stil te staan. Ik kan de
trein gewoon laten verderkachelen. Ik lees
What A Carve Up van Jonathan Coe. Verjaardagscadeau van
Sanne vorig jaar. Die keer dat we naar
Herman Finkers gingen.
Bij de halte in
Antwerpen Centraal verander ik van plaats om te ontsnappen aan een half dozijn geheel uit hun lul nekkende losers. Denk aan irritante pol&soc-studenten in a talking mood. De extra afstand geeft mij in combi met oordoppen de kans rustig op te gaan in Jonathan Coe. Donderdag,
Gedichtendag was ook dag van de privacy had ik gelezen in
De Standaard, niet toevallig
De Standaard. Toeval bestaat niet. Of het bestaat wel maar we negeren het vrolijk. Drie nutteloze SMS'en op rij waarschuwen mij dat we de grens gepasseerd zijn.
Daarna is donderdag,
Gedichtendag eigenlijk op geen enkele manier nog een kutdag. Geen haar op mijn hoofd of scrotum dat er echter aan denkt om de eerste zin van deze kroniek alsnog aan te passen. Een uur te laat bel ik aan bij Perdu maar het meisje dat mij binnenlaat vindt dat niet erg. 30+30 is overweldigend. Poëzie in al zijn facetten komt voorbij aan hoog tempo. Traditionele shizzle,
hiphop,
pornografie,
dadaïsme,
sentimenteel gedoe: heerlijk.
Zelf mag ik afsluiten. Wat ik graag vertaal als: zelf ben ik headliner. Reacties op mijn set zijn positief en één iemand noemt mij het hoogtepunt van de avond. Er was op voorhand gevraagd een vertaling voor te lezen. Ik bracht een mashup van twee teksten van de Brits-Ierse dichter
Steven Patrick Morrissey. Iemand die zichzelf een groot Smithsfan noemt, keurt mijn bewerking achteraf goed. Ik heb die vertaling geschreven op verzoek van
San F. Yezerskiy wat mij meteen de mogelijkheid geeft hem te namechecken in
Amsterdam.
De rest van de avond is wazig. Ik heb altijd gedacht dat je van Nederlands bier niet dronken kon worden. Donderdag,
Gedichtendag bewees mijn ongelijk. Rond één uur eet ik
een broodje warm vlees. Gewoon omdat ik het kan. Het trek op geen hol. Er zit pindasaus bij. Het is eerder lauw dan warm. Nooit nog volg ik de culinaire aanbevelingen van de
hippety hoppety brigade. Ik spoel de vernedering weg in een kraakpandcafé. Met een Turkse kraaktster bespreek ik de latente
homoseksualiteit van Mustafa Kemal Atatürk, San F. Yezerskiy, Karel Dillen en andere closet gays.
Rond half drie luidt
the Jam het sluiten van de avond in met
Going Underground. Een taxirit later sta ik in
de brandweerkazerne waar ik al eens geslapen heb. Last minute mag ik de zetel ruilen voor een bed.
Wicked Game van Chris Isaak is mijn slaapliedje, mijn eeuwige slaapliedje.